Manoeuvres

Zeilen is veranderen. De wind verandert van kracht en hoek, en jij verandert je koers, je zeilstand, en je positie in de boot. Hier zijn de manoeuvres die je voor CWO 1 onder de knie moet hebben.

Overstag

Overstag gaan doe je als je je boot dóór de wind heen draait. Eerst komt de wind van de ene kant van de boot, dan vlak van voren (heel even), dan van de andere kant.

Dit doe je vooral als je aan de wind vaart en de andere kant op wilt. Belangrijk: zeg het hardop tegen je medezeilers ("Overstag!") zodat iedereen weet dat het zeil overzwaait. Duck even — de giek komt over.

Gijpen

Gijpen is óók draaien zodat het zeil naar de andere kant gaat, maar nu draai je dóór de wind in de rug. De wind komt eerst schuin van achteren links, dan recht achter, dan schuin van achteren rechts.

Bij gijpen klapt het zeil vaak met een klap over. Dat kan onverwacht hard gaan. Daarom: vier de schoot uit, draai langzaam, en houd je hoofd laag.

Verschil overstag vs gijpen: bij overstag komt de wind van voren, bij gijpen van achteren.

Oploeven en afvallen

aan de wind. Dan trek je je schoot strakker aan.

ruime wind. Schoot vieren — anders staat je zeil te strak.

Laveren / opkruisen

Soms wil je naar een plek varen waar de wind vandaan komt. Dat kun je niet recht doen — in de wind staat je boot stil. Wat je doet: schuin tegen de wind in zeilen aan de wind, dan overstag, dan weer aan de wind aan de andere kant. Zigzaggend kom je toch je doel bereiken. Dat heet laveren (of opkruisen).

Op de Geijenbreek met een westenwind: als je vanaf het clubhuis naar het westelijk deel wilt, moet je laveren. Een paar slagen heen, een paar slagen terug.

Deinzen — achteruit varen

Soms moet je een stukje achteruit, bijvoorbeeld om uit een krappe haven weg te komen. Het lastige: je roer werkt achteruit precies de andere kant op. Wat je linksom verwacht, gaat rechtsom. Even oefenen op een rustige plek voordat je het in de drukte nodig hebt.

Hoe je in de boot zit (trim)

In een Optimist zit je in de boot, niet op de rand — pas bij CWO 2 leer je hangen op de rand. Benen dwars, rug tegen het schot, en je gezicht naar het zeil (dus je zit aan de andere kant van waar het zeil staat).

Bij voor-de-wind met flinke wind ga je iets meer naar achteren zitten. Anders duwt de wind de boot voorover en kan de boeg duiken. Bij rustige voor-de-wind hoeft dat niet.


Gebaseerd op het CWO 1 handboek (Watersportverbond, 2017). Eigen tekst voor WSV De Breek.